irma
driessen
kijkt en schrijft

elke dag een bericht | liefde voor sommige mensen die dingen maken, sommige gemaakte dingen

de wereld, de mens en de dingen

De wereld is een wonderbaarlijk ontwerp. Neem nou de zin: Leonard Koren was trained as an architect but never built anything. Heerlijk verlies van energie, dat je niet kunt worden waarvoor je bent opgeleid. In een perfecte wereld zou Leonard Koren architect zijn geweest, maar nu is hij Leonard Koren, trained as an architect but never built anything. Dat biedt hoop voor iedereen die voor iets opgeleid is.

Als ik geweten had dat je zoveel moest tekenen om Industrieel Ontwerper te worden, was ik misschien niet in Delft gaan studeren. Ik wist niet dat er zóveel manieren van tekenen waren – handtekenen, technisch tekenen, presentatietekenen – en dat elk stadium van een produkt in wording om een eigen tekenstijl vroeg. Vanaf dag één tekende je dingen, Industrieel Ontwerpen was de academie van de dingen, om preciezer te zijn, de academie van de getekende versies van de dingen.

Technisch Tekenen vond plaats op de eerste verdieping van de faculteit Werktuigbouwkunde. Beneden in de hal stonden machines in een kleur groen, die ik sindsdien associeer met leegstaande fabrieken en verloren gegane industrie. De machines waren uit hun context gehaald en in het universiteitsgebouw neergezet. Fossielen, bedoeld om naar te kijken, niet om te functioneren. De machines konden er ook niets aan doen dat ze daar zo naakt stonden. Het feit dat ze niets deden (niets kónden doen) maakte hen weerloos als gekooide beesten.

Naast machinegroen had je piepschuimblauw, helder en onschuldig, zoete babylucht. Uit het piepschuim (styrofoam) sneed je met een gloeiende metaaldraad taartpunten. Met honingkleurige lijm plakte je de delen op elkaar. En dan maar schuren om rechte hoeken rond te maken. Zo maakten we in de loop van het jaar diverse prototypes. Vederlichte modellen, dingen van lucht.

Jacques Tati is in mijn ogen de beste ontwerper van de twintigste eeuw. Strikt genomen is hij een filmmaker, maar ik ken niemand die over de dingen nadenkt zoals hij. Jacques Tati filmt een wereld die op de onze lijkt maar de onze niet is, met mensen die op mensen lijken maar die geen mensen zijn. In zijn films spelen dingen een hoofdrol, de droom van iedere ontwerper. Aan het eind van zijn carrière ontwierp Jacques Tati een complete stad – Tativille – omdat hij zo graag een film wilde maken waarin wolken, glas en staal de hoofdrol zouden spelen. Het project was megalomaan, leidde uiteindelijk zijn ondergang in, maar de film kwam er: PlayTime.

God is een aardige tweede. God was in staat van niets iets te maken, in een luttele zeven dagen, en had daarbij ook nog tijd voor een dag vrij. Jacques Tati deed tien jaar over PlayTime en kwam niet verder dan een bordkartonnen stad op een industrieterrein aan de rand van Parijs – een flauwe vergelijking die al gauw minder flauw wordt als je bedenkt dat Tati zich met zijn daad volledig te gronde richtte, voor hem stond alles op het spel; wat had God te verliezen?

Het scheppingsverhaal is een goed gedocumenteerd ontwerpverhaal. In vijf verzen is de wereld er. Eerst is er leegte, zonder licht. Dan komt er licht. En dan de rest. Vervang leegte en licht door beeldscherm, en God is een animator, Walt Disney in het diepst van zijn gedachten. Meer nog dan een ontwerpverhaal is het scheppingsverhaal een animatieverhaal, zeker in het begin, waar het er grof aan toegaat. Aan subtiliteiten heb je niets, overdrijven is het devies anders gelooft niemand je, lees het tiende gebod uit The Illusion of Life van Ollie Johnston en Frank Thomas er op na: exaggeration. En dat deed God, hij overdreef. Animus betekent letterlijk ‘geest inblazen’, en dat is wat er gebeurde toen hij Adam aan zijn haar uit het stof trok om de ultieme ontwerpdaad te verrichten – snel, glorieus, alomvattend.

Je kunt het scheppingsverhaal zien als het verhaal van het aanbrengen van enorme contrasten, licht en donker, hemel en aarde, man en vrouw, die de kiem herbergen voor eeuwige strijd en ruzie. Het scheppingsverhaal kan niet goed aflopen, onmogelijk met zulk zwartwitdenken. Een liefhebber van zwartwit en niets ertussenin is een hardvochtige ontwerper.

Misschien had hij meer grijs moeten durven laten. Grijs is een vredige novemberdag. Grijs is perfectie, stilstand, niksigheid. Grijs is van alles evenveel: evenveel rood, groen en blauw. Grijs is het gegoten beton van Tativille.

Ondanks zijn snelheid en het grote gebaar – die zelfverzekerdheid doen vermoeden – heeft God getwijfeld, en die ruimte voor twijfel is nog steeds zichtbaar. Noorwegen bijvoorbeeld, rode huisjes, zwarte meren, groene bomen – net als je aan het kleurenpalet gewend bent gaat het sneeuwen, en dan blijft het een half jaar wit. Met wit kun je alle kanten op. Grondverf. Alles nog mogelijk. Ieder jaar opnieuw beginnen. Eeuwige twijfel. Jacques Tati hield van grijs.

Delft, jaren negentig vorige eeuw, in een zaal met hoge ramen staat een lange rij tekentafels. Achterin de zaal staan stellingkasten met koffiezetapparaten, strijkijzers en radio’s. Op iedere tekentafel ligt een koffiezetapparaat, losgeschroefd, in twee helften. Oerlelijke apparaten (want van Philips), maar er is geen tijd om daar lang bij stil te staan, voor half zes word je geacht drie aanzichten gereed te hebben. Na een uur construeren is het tekenvel, een kalkwit vel, vies van het vele gummen. Het hoekje rechtsonderin heb ik alvast ingevuld: naam, schaal, ding. Er waren wel computers, maar niet waar wij zaten.

In Delft was er altijd haast, op elke opleiding is haast, alsof haast een goed ding is en een waardevolle belofte inhoudt: als het je lukt om voor half zes een koffiezetapparaat om te zetten in cirkels en lijnen op papier is alles mogelijk; als je onder tijddruk functioneert, heb je wat nodig is om te slagen in de wereld. Nu besef ik dat er helemaal geen sprake was van haast, dat je juist alle tijd van de wereld had, en dat nú de tijd door je vingers glipt, ongenadig doortikt, één kant op.

Terwijl ik boven de tekentafel hing, luisterde ik naar Leonard Cohen. Terwijl ik dit schrijf twijfel ik, zijn cd More Best Of kwam pas in 1997 uit, maar ik weet bijna zeker dat ik toen naar Leonard Cohen luisterde. Op de cd staat het nummer The Great Event, een door een computerstem gesproken nummer van één minuut en negen seconden dat onmiddellijk aan God doet denken, misschien omdat gesproken tekst – anders dan geschreven tekst – dwingend is, boosaardig in zijn opdringerigheid. De tekst klinkt alsof een bandje achterstevoren wordt afgespeeld; alsof een roestig speeldoosje aangezwengeld wordt dat – ondanks een slag in het wiel – iets moois te vertellen heeft:

Next Tuesday, when the sun goes down, I will play the Moonlight Sonata backwards. This will reverse the effects of the world’s mad plunge into suffering, for the last 200 million years.

God was bereid de schepping om te keren, zijn werk ongedaan te maken, hij was bereid tot een redesign. Bovendien hield hij van Beethoven en Leonard Cohen. Dat hij op de Moonlight Sonata wachtte, op een teken, beviel me nog meer dan de beloofde omkering. De tekst ging verder: ingedutte roodborstjes zouden felrood kleuren, en vermoeide nachtegalen zouden het stof van hun staarten slaan.

Wat ik niet begreep was waarom vogels op zo’n moment zo’n belangijke rol spelen. Overal waar iets magisch te gebeuren staat duiken ze op. Ook weer toen ik Snowwhite and the Seven Dwarfs zat te kijken. Sneeuwwitje ligt in het bos te slapen als plots een groep vogels uitbarst in extatische jubelzang. Sneeuwwitje bedenkt zich geen seconde, zingt het gefluit na, vindt het huisje van de zeven dwergen, en treedt binnen in hun wereld (waar ze vervolgens moet schoonmaken). Ik vind het fijn voor de vogels dat ze iets te doen hebben, maar begrijpen doe ik het niet. In Mon Oncle van Jacques Tati is het precies andersom. Monsieur Hulot krijgt een vogeltje aan het fluiten als hij een straal zonlicht op het vogeltje richt. Alsof het vogeltje zélf de magische wereld is en Monsieur Hulot per toeval de code ontdekt. Bij Jacques Tati zijn dieren altijd zichzelf, hij behandelt ze nooit als dingen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is het niet.

In 36 tekenlessen trokken de dingen voorbij, en daarna was de wereld niet meer hetzelfde: Onmogelijk om dingen ooit nog te gebruiken, wanneer dingen voorgoed veranderd zijn in blootgelegde binnensten met randen, gaten, flenzen en ribben; karkassen waar al het leven uitgezogen is. Apparaten die geen enkele lust meer opwekten net zo min als een opengelegd lichaam op een operatietafel dat doet. Apparaten ook waarvan je je afvraagt als je ze zo ziet liggen, hoe ze ooit hebben kunnen functioneren. Dingen doen het meestal, en dat is misschien nog wel het meest verbazingwekkend.

Het inkten van de tekeningen was het leukst. Tegenwoordig gebruik je computers en printers, maar daarmee is iets verloren gegaan: inkten kan namelijk verkeerd gaan. Inkten is een spannend moment. Om fouten te herstellen gebruikten we een scalpel waarmee je inkt wegschrapt – eigenlijk maak je kleine schrammetjes in het papier, net als de gumvegen zijn het sporen van onzorgvuldigheid: je herstelt iets. Schrapen is geen fijn moment. Hoe kan op een bekrast vel ooit nog een zuiver produkt ontstaan? Om het moment uit te stellen duwde ik soms de scalpel voorzichtig in mijn duim, zo ver als het ging, en dan dacht ik terwijl de huid strak trok en wit werd, aan andere practicumzalen, in andere faculteiten, in andere universiteitssteden, waar studenten de scalpel gebruikten waarvoor hij bedoeld is: om in lijken te snijden en het geheim van het leven te doorgronden en iemand die niet helemaal dood is alsnog stuk te kunnen snijden.

Dan had je ook nog het vak handtekenen, maar die benaming berustte op toeval, er was niets menselijks aan handtekenen. Als automaten trokken we uren achtereen verticale lijntjes, die we zo dicht mogelijk tegen elkaar moesten zetten zonder dat ze elkaar raakten. Hiervoor gebruikte je een fineliner. De fineliner was verplicht, omdat één van de kenmerken van de fineliner is dat je niet kunt gummen, de lijn moet in één keer goed zijn. Men wil zelfverzekerde ingenieurs opleiden, geen twijfelaars. Naast een zwarte hadden we ook een grijze fineliner, die weliswaar minder duidelijke lijnen trok, maar netzomin ruimte voor twijfel bood. Kijken, niet denken. Gedachten vullen geen tekening, zoals een motorkap dat wel doet. Als je teveel denkt trilt je hand, en daaraan heeft niemand iets.

Maar waarom hebben dingen op papier schaduw? Idiotie.

Waar ik moeilijk aan kon wennen was dat alles in millimeters ging. Tot dan dacht ik in centimeters. Centimeters zijn flexibel, buigzaam en onnauwkeurig. Ze kloppen altijd. Centimeters zijn de menselijke maat, de omvang van taille, billen en borsten, ze behoren toe aan mijn moeder, die een opgerolde centimeter in de keukenla had liggen. Millimeters zijn van niemand. Nog net geen zaak van leven en dood, maar wel bijna. Zie de schuifmaat met een bek van staal, wiens ijzeren lippen langzaam van elkaar bewogen. De centimeter van mijn moeder krulde op tot een geel rolletje dat je eenvoudig in je zak kon steken. Het lijkt een onbelangrijk detail, millimeters ten opzichte van centimeters, maar de wereld in millimeters zien is een andere wereld zien: op schaal.

Een astronaut die in de ruimte is geweest ziet geen vijanden meer, omdat hij de wereld op een schaal heeft gezien waarop geen werkelijke problemen bestaan.

Dingen vallen buiten bewondering. Dingen gaan over verbazing. Een vliegtuig in de lucht bijvoorbeeld, al dat staal wil daar niet zijn.

Het Gemeentemuseum in Den Haag heeft sinds 2005 een wonderkamer die ontworpen is door Ineke Hans. Het thema van de wonderkamer is Functie en decoratie. In de wonderkamer staan voornamelijk dingen, en het aardige is dat er bij de indeling een glijdende schaal is gemaakt van functie naar decoratie. Sommige dingen zijn louter functioneel, andere louter decoratief. En daar zit dan vanalles tussenin. ‘Wel mooi maar niet zo handig’ las ik bij één van de tentoongestelde dingen. ‘Niet mooi en niet zo handig’ kwam in me op maar dat sloeg nergens op, het was een kinderachtige reactie op een uitspraak van een ontwerper die zijn dingen in een museum had weten te krijgen.

Er hing in de wonderkamer een afbeelding van een vrouw die met haar voet een keukendeur openduwde. De hoogte waarop zij tegen de deur schopte, ongeveer 40 cm vanaf de vloer, stond in de tekening aangegeven. Ze had haar handen vol potten en pannen, maar gelukkig had ze haar benen nog om die potten en pannen op de plaats van bestemming te krijgen. Haar loopschema werd door keukenkastjesfabrikant Bruynzeel minutieus vastgelegd, om een zo efficiënt mogelijke keuken te ontwerpen.

Meten is chaos beteugelen, orde aanbrengen, angst bezweren. Door precies te weten hoeveel één liter is, smaakt de tomatensoep elke week hetzelfde. Ik stond in het functionele gedeelte van de wonderkamer, reikhalzend uit te kijken naar de decoratieve dingen aan de andere kant en bedacht dat als we een ding als een extensie van onszelf zien – zoals de bril ons gezichtsvermogen vergroot, de hamer onze spierkracht, de auto onze snelheid, we onszelf als een extensie van de wereld kunnen zien. Sommige mensen zijn louter functioneel, anderen louter decoratief. En daar zit dan vanalles tussenin.

Een voorbeeld van een louter functionele mens moet de mens zijn die Eadweard Muybridge zag toen hij door zijn fototoestel keek:

Een voormalig gouverneur van Californië raakte geïnteresseerd in het fokken van paarden. Hij kocht een ranch in Palo Alto. We hebben het over het jaar 1872, de fotografie stond in de kinderschoenen. Op een dag passeerde een paard de ranch van de gouverneur, die toevallig buiten stond. Hij keek het paard na en beweerde tegen een vriend dat ergens tijdens de draf het paard volledig los van de grond kwam. Even zweefde. De vriend lachte hem uit. De voormalig gouverneur sloot ter plekke een weddenschap af. Hij wilde zijn gelijk bewijzen en huurde Eadweard Muybridge in.

Met 24 camera’s legde Eadweard Muybridge de draf vast. Zijn foto’s waren een sensatie. Toen de paarden en het geld van de gouverneur op waren ging Eadweard Muybridge door met het portretteren van de mens. Dat deed hij niet om de mens te vleien. Eadweard Muybridge zag de mens als ding. Een naakt, kaal ding. De portretten die hij maakte legden een functie vast: traplopen, tillen, buigen. Hij fotografeerde de mens zoals je een technische tekening maakt: in aanzichten, met camera’s die sneller klikten dan de hoefslag van een paard. De mens op zijn foto’s is inwisselbaar.

Een gedocumenteerd leven in 75 momentopnames is liefdevoller, elk jaar een foto, onder een grijze hemel, zodat iemands trekken goed uitkomen. Maar daar win je geen weddenschap van $25.000 mee.

Is een functionele mens beter dan een decoratieve mens? Heeft de wereld er meer aan? Misschien bestaan die twee uitersten niet eens, en dien je op zijn minst de moeite te nemen om na te denken over specifiekere bijvoeglijk naamwoorden om iemand te karakteriseren: Eadward Muybridge is pragmatisch. God ongenaakbaar. Jacques Tati genadig grappig. De drie mannen hebben gemeen dat de mens ze niet kan schelen. In hun werk is de mens een onbelangrijk detail.

In 1972 werd de Pioneer 10 gelanceerd in de richting van de rode ster Aldebaran. Met zijn 52.810 km/u zal het twee miljoen jaar duren voor het ruimteschip daar aankomt. Toen ik dat las moest ik hard lachen.

Aan boord van de Pioneer 10 is een plaquette, waarin wij, mensen, ons bekend maken aan buitenaardse intelligenties. De ontwerper kreeg drie weken de tijd om de plaquette te ontwerpen. Wat zet je in zo’n ruimtebrief? Jezelf, want je kunt niet buiten jezelf denken. Wat zet je er nog meer in? Waar je vandaan komt, de aarde, zodat je een makkelijke prooi bent als buitenaardse wezens kwaad in de zin hebben. Wie laat je de ruimtebrief tekenen? Je vrouw, want die kan dat. Wie kan het ontwerp ontcijferen? Niemand.

De plaquette bevat een afbeelding van een man en een vrouw, naakt. De man heft zijn rechterhand als gebaar van goede wil. De man heeft genitaliën, de vrouw niet. De vrouw is één meter achtenzestig groot, omdat de computer geanalyseerd heeft dat de gemiddelde persoon zo groot is – en er precies zo uitziet als het plaatje dat je vrouw zojuist getekend heeft.

Door de plaquette aan boord van Pioneer 10 besefte ik dat het onmogelijk is iets algemeens over de mens te zeggen. Je zit altijd mis. Je kunt het hooguit hebben over een specifieke mens en die beschrijven. Zo gauw je iets algemeens zegt betreed je het terrein van de fictie. De gemiddelde mens bestaat niet, hoeveel plaquettes er ook de ruimte in worden geschoten. De gemiddelde mens interesseert toch niemand?

Jacques Tati stopte bordkartonnen stewardessen en kantoorklerken in PlayTime. Als je het weet zie je het. Als je het niet weet niet, want Jacques Tati gebruikt zelden close-ups. Zijn blik is landscape, niet portrait. Hij propt PlayTime vol massa’s mensen die voortdurend in beeld krioelen. Jacques Tati zet de kijker aan het werk. Je weet niet waar je moet beginnen, en of je iets mist.

De vreemdste luchthaven die ik ken is de luchthaven waarmee PlayTime opent. Er is geen vliegtuig te zien. Sterker nog, in eerste instantie denk je dat je naar een ziekenhuis kijkt: een kuchende man zit in een wachtzaal, zijn bezorgde vrouw naast hem, een zuster loopt voorbij met een zuigeling op de arm, een vrouw duwt een rolstoel. De steriele sfeer waarin alles zich voltrekt: de beladen stilte, de ernst, de efficiëncy. Iedereen loopt in rechte lijnen. Jacques Tati laat ons rustig twee minuten in de waan dat we met een ziekenhuis te maken hebben. Dan draait de camera en zien we dat de rolstoel een bagagekarretje blijkt, de wachtende man een reiziger. Een stem kondigt de aankomst van een vliegtuig aan, zusters veranderen in stewardessen. Als niets is wat het lijkt moet je zelf kijken, en dat was precies Tati’s bedoeling.

De mensen in de films van Jacques Tati worden continu bekeken. Ze lopen rond in glazen kantoorgebouwen, en wonen in woonblokken die nog het meeste weghebben van een stapeling gigantische aquariums. En hoewel glas transparant is en je alles kunt zien, blijkt het een onuitputtelijke bron voor misverstanden, een barrière voor elk mogelijk contact. Een visueel grapje aan het begin van PlayTime: een vuurtje vragen voor een sigaret is onmogelijk, er zit glas tussen de twee mannen die tegenover elkaar staan, maar dat zien we pas als de camera uitzoomt.

In het begin van PlayTime bevindt Monsieur Hulot zich in een lege, kale glazen zaal waar hij wacht op een ontmoeting met ene Gifard. Weer een gigantisch glazen aquarium, voor Monsieur Hulot een vijandige omgeving. Dit beeld wordt versterkt door elektrisch gezoem en door statige portretten aan de vier wanden van streng kijkende mannen, die met priemende blik op Monsieur Hulot neerkijken. De portretten hangen hoog, waardoor het lijkt alsof de mannen aan de waterkant zitten, vissers, die wachten tot Monsieur Hulot een verkeerde beweging maakt zodat zij hem aan de haak kunnen slaan. Monsieur Hulot glijdt inderdaad uit.

Jacques Tati houdt van dingen die geluid maken. Alles puft en steunt alsof het al een heel leven achter de rug heeft. Hij houdt van geluid maar aan dialogen heeft hij een hekel. Hij gebruikt ze spaarzaam, of niet. Soms zet hij de geluidsband met dialogen zachter, en het achtergrondgeluid harder. Doordat de dingen in zijn films geluid maken, lijkt het of ze ademen, en leven. Alhoewel de fontein in de vorm van een vis in Mon Oncle zich juist lijkt te verslikken in het water dat hij spuit: een illusie die gecreëerd wordt door een gorgelend geluidseffect. De dingen proesten en puffen, en lijken al een heel leven achter de rug hebben. Als dat zo is, en de dingen een verleden hebben, dan hebben ze ook herinneringen.

De dingen bij Jacques Tati hebben dubbelfuncties. Ze zijn zichzelf, en ook iets anders. Een lampestaander die bushandgreep wordt, twee ramen in een huis, priemende ogen. De mensen in zijn films daarentegen doen steeds hetzelfde, ze bewegen als automaten. In PlayTime zie je vier mannen bij een parkeermeter in de auto stappen, ze bewegen synchroon, ze stappen in en rijden weg. Mensen bewegen in groepen. Ze staan in bussen, of op roltrappen, en glijden en masse door de omgeving. Ze zijn onderdeel van een choreografie. Het wordt niet saai, juist niet, het is mooi, de mensheid beweegt in een soort reuzeballet.

De dvd’s van Jacques Tati bevatten bonusmateriaal, waardoor je de films opnieuw gaat kijken omdat je je realiseert dat er veel meer verstopt zit dan de dingen die je gezien hebt: de wonderlijke, onmogelijke reflecties op het glas, Gifard die door een vreemde vertekening van het perspectief in een schijnbaar eindeloze gang op ons af loopt, de bloemenhoedjes op het hoofd van de Amerikaanse toeristen. Niets is wat het lijkt. Ik kom graag op luchthavens. Sinds ik PlayTime heb gezien weet ik dat ik eigenlijk in een ziekenhuis ben. Een troostrijke gedachte, een wereld waarin niets is wat het lijkt.

Comments are closed.